De drie weken zitten er bijna op. Drie weken dat ik alleen was en het was… leuk? Zelfs een beetje vakantie, eigenlijk.
De truuk: een beetje lange weekends nemen en veel mensen zien.
Een beetje verlof dus eigenlijk. Het eerste weekend was dat Gent Jazz en Cactus, bij mijn ouders blijven slapen en bij vrienden in Gent.
Het tweede weekend was dat een lang weekend Dour, samen met een neef en een fotograaf van daMusic. Daar spendeerde ik misschien het meeste tijd alleen, maar op dat festival ben je natuurlijk nooit echt alleen.
Het laatste lang weekend eindigt vandaag en was Gentse Feesten.
Wat een fantastische uitvinding zijn die feesten toch. Elke stad zou dat moeten hebben: tien dagen zichzelf op zijn kop zetten, tien dagen samen drinken, feesten, babbelen, ruzie maken op een beschaafde manier, buiten komen, en niks serieus nemen.
Ik ben er zelf ondertussen een toerist, maar mijn vriendenkring is er nog groot genoeg om een beetje het gevoel te hebben dat ik er bij hoor. Op de Vlasmarkt in variërende maten van beschonkenheid leer ik nog altijd nieuwe mensen kennen, en zie ik mensen terug die ik al lang niet meer heb gezien. We hebben er gesprekken die ergens anders niet mogelijk zijn. Het is de grootste openluchtdiscotheek van het land, maar de muziek en de drank zijn er vooral sociaal bindmiddel.
Vrijdag had ik even een moment dat ik naar huis wou, maar dan kwam ik net op tijd J. tegen, die stond te wachten om naar Bataknar te gaan. De leute daar was plat zoals altijd, maar amusant. Vriend I. was de avond daarvoor geweest en zei: hier ga ik nog enkele weken van nagenieten. Ik ook.
Twee keer ben ik beland in een politieke discussie over Groen. Twee keer was Filip Watteeuw de kop van jut.
Misschien is dat het succes van Groen in Gent: ze zijn erin geslaagd te polariseren rond een groen thema, minder auto’s in de stad. En wie het onderwerp bepaalt wint de verkiezingen, dat is algemeen geweten.
De eerste man ging tegen Groen stemmen, want dat zijn de echte fascisten. Hij dacht aan de NVA. De andere, een vriend, steunt al zo lang ik hem ken blauw, maar toen ik hem voorstelde om op een vriendin van ons te stemmen die opkomt voor Groen was de reactie een visceraal NOOIT. “Dat zijn extremisten, die van Watteeuw”.
Direct ging het weer over die man. “Ik ben wel groen, maar…” leek wel het nieuwe “ik ben geen racist, maar…”. Maar ik wil met mijn auto overal kunnen rijden, was meestal de rode draad van de gedachtengang.
“Daar hebben ze geknipt en kan ik niet meer door”. “En als ik naar Antwerpen ga moet ik mijn auto buiten het centrum zetten en met de tram gaan”, “parkeren is te duur geworden”, “fietsers zijn gevaarlijk, zeker die speedpedelecs, en trams hebben overal voorrang, dat is toch veel gevaarlijker dan een auto?”
Voor mij klonk dat allemaal niet overtuigend, maar ik ben dan ook een geradicaliseerde anti-auto-fietsterrorist.
Voor mij zijn er twee evoluties waar ik absoluut voorstander van ben en die alles bij elkaar genomen in het algemeen de goede richting lijken uit te gaan: auto’s moeten weggepest worden uit de stad, en mensen moeten meer plantaardig eten.
En Gent is de roerganger voor beiden. We stonden aan een frietkraam dat het hele jaar door enkel vegetarisch eten serveerde, maar tijdens de feesten uitzonderlijk ook vlees op de menu had. Zo zie je maar: we zijn geen extremisten.