We hadden iets goed te maken met die van Beak>, we hadden hun naam correct gememoriseerd, zoals het hoort, en een tekstje met verontschuldigingen klaar op een bordje om in de lucht te houden, maar nu bleken ze toch wel ziek? Of weigerden ze uw recensent onder ogen te komen? Wie zal het zeggen.
De vervanger die gevonden werd, The Murder Capital was in allerijl uit Ierland overgevlogen. Ryanair verbindingen draaien op volle toeren dezer tijd, dus dat was vast een koopje. Halverwege de set schreeuwde frontman James McGovern “What’s the problem? We are not Beak>!”.
Het probleem, beste, was dat jullie saai waren. Hun jaren negentig gitaarrock boeide voor geen meter en de pretentieuze attitude van de frontman was er te veel aan. Kapsones zijn enkel gepermitteerd als je de beste bent, zoniet werken ze contraproductief. De man zelf zette zich ongeïnteresseerd een sigaretje te roken midden in de set, op een van de monitors.
Toegegeven, met afsluiters Feeling Fades en Don’t Cling to Life zetten ze dat een beetje recht, er kwam plots een beetje vaart in, maar dat was rijkelijk te laat.
Soms slagen we er in om gedurende jaren relatief populaire groepen niet te kennen. Zo was het dat we op Cactus pas mochten kennis maken met Whispering Sons. Ja, ze maken al jaren furore, maar, zoals die van Beak> vast kunnen getuigen, we sturen niet altijd onze beste kenners naar de optredens. Trouwens, wat is mis met een fris oor?
U kent de muziek vast beter, dus die beschrijven hoeft vast niet meer. Alvast dit: een dikke pluim voor de stiliste, die de bandleden in het zwart had gekleed, en Fenne Kuppens in een grijs oversized kostuum met een wit hemd. Het deed denken aan David Byrne’s kledij in Stop Making Sense. En die rode achtergrond maakte het plaatje af.
Alles wat de anderen hier vertelden bleek ook hier: dit was een superstrakke set, geleid door een van zelfvertrouwen blakende Fenne. In afsluiter Try Me Again schreeuwde ze This is me, this is who I am, this is what I’ll be in the end, en het klonk als een prachtig manifesto. En terwijl iedereen hen blijft vergelijken met jaren tachtig groepen (zoals Sisters Of Mercy), hoorden we hier vooral een goede Fugazi in. Maar bovenal een prachtig eigen nummer.
En, nu we toch met bekentenissen bezig zijn: ook voor Het Zesde Metaal was het de eerste keer dat we ze aan het werk zagen. De sympathiekste van West-Vlaanderen en omstreken had vier jaar geleden ook al een geplande spot op het festival - toen ná Patti Smith. Maar ondertussen is die laatste populair geworden en nu moesten zij het voorprogramma doen. De medaille voor beste grap van de dag hadden ze al op zak.
Maar ons hart veroverden ze met een cover van Bange Blanke Man van Willem Vermandere, dat eindigde in een uitbarsting van gitaargeweld, die van dEUS’ Instant Street waardig. “Laten we applaudisseren tot hij het hoort, daar in Steenkerke in zijn atelier”, zei Wannes Capelle. Niemand kan ooit mooier hulde brengen aan Willem dan wat dit was geweest.
Er zit veel melancholie en verdriet in Capelle’s teksten. Ploegsteert hadden we nooit echt goed beluisterd, koers zal ons worst wezen en een nummer over koers al zeker, maar nu we er aandacht aan schonken: wat - een - nummer. Luc De Vos had er vast een arm en een been voor afgestaan, om dit te schrijven. En, alsof ze gedachten konden lezen, eerden ze ook die met een fantastische mash up van Where Is My Mind van The Pixies en Gorki’s Boze Wolven. Wie het daarbij droog houdt heeft geen hart, of geen oren.
Tussendoor passeerden bedrieglijk simpele popnummertjes, zoals Gie, Den Otto En Ik, of Dag Zonder Schoenen. Maar telkens school er een angel onder het tekstuele oppervlak, een verborgen verdriet. Zoals onder het hele optreden het verborgen verdriet school van het verlies van Tom Pintens, die nog meegewerkt heeft aan de nieuwere nummers. Ze verkochten sokken ten voordele van Kom Op Tegen Kanker, in zijn naam. Wie het daarbij droog houdt heeft geen hart, of koud bloed.
Meegaand op die melancholische bui moesten we daarna denken aan een quote van Logan Roy uit Succession. Iets als “niets tegen het verleden, het is enkel dat er zo veel van is”. Patti Smith, de vroege headliner van de avond, heeft ook al veel verleden, en daarover mijmeren leek wel haar voornaamste creatieve drijfveer.
Zo had ze gedacht aan wat één van de broers van Van Eyck moet hebben gevoeld bij het gemis van de overleden andere broer, als die in Brugge zijn boterhammetjes zat op te eten op een bankje in het Minnewaterpark. Toch een beetje WTF?, Patti… Aan legende Kurt Cobain bracht ze hommage, met About A Boy, en aansluitend een verder overbodige cover van Smells Like Teen Spirit. Johnny Cash mocht ook, met het nummer Cash, en Bob Dylan werd gecoverd in Man in the Long Black Boat. Raar dat een levende legende zo graag aanschurkt tegen de geschiedenis, als was ze zichzelf erin aan het bijschrijven.
Verder was ze trouwens in opperbeste doen, en nam haar tijd om schattig te zwaaien naar het publiek, en soms ook individueel contact te zoeken met enkelen onder hen. Ze was nog perfect bij stem en niet te beroerd om haar hits te spelen: Because the Night, al vroeg in de set, Dancing Barefoot, en afsluiter People Have the Power waren natuurlijk publiekslievelingen, en met recht en rede.
We werden zelfs even op het verkeerde been gezet toen we dachten dat Summertime Sadness ook van haar was. Dit was perfect voor een zomerfestival! Maar het was van de hand van levende legende en all American cheerleader Lana Del Rey natuurlijk.
Even dachten we aan Kim Gordon, die hier vorig jaar stond en met wie Patti Smith slechts zeven jaar scheelt in leeftijd. Waar Gordon stoutmoedig verder de toekomst in stormt, lijkt het of Patti Smith een ererondje aan het doen is. Ieder wordt oud zoals ze dat zelf willen natuurlijk, en als Patti daaraan zou twijfelen: ze mag bijgeschreven worden in het rijtje van grote artiesten. Al voor haar optreden, en al zeker erna.
Alles wat nog later kwam was toegift natuurlijk, en hoewel Maarten Devoldere ontegensprekelijk ook bij de groten der aarde moet gerekend worden, van zijn set met Warhaus kozen we de eerste helft te missen, om iets te eten. We sloten aan tijdens Machinery, dat Devoldere volledig in zijn eentje bracht, begeleid door een prachtig draaiorgel. Het was meteen een hoogtepunt, want hoewel nog een vijftal songs volgden, ze beklijfden maar matig. Soms leek het of er een beetje té veel naar de stylist was geluisterd, met de fluwelen gordijntjes en de mooie belichting, en te weinig aan de songs was gewerkt. Devoldere’s stem deed denken aan die van Matt Berninger van The National, maar waar Berninger intensiteit en inlevingsvermogen in zijn uitvoering legt, kregen we van Devoldere nonchalance en stijl in de plaats. Het had iets meer mogen zijn.
Er volgde nog Brittany Howard, een legende in wording, zo leerde de begeleidende tekst ons. Nee, die kenden we ook niet, en we hadden al genoeg kennismakingen achter de rug voor een dag, dus keerden we huiswaarts. Vertel, was het een leuk feestje? Zullen we dat over twintig jaar eens overdoen?