Er waren nog wat headliners geprogrammeerd op dag vijf, maar wij maakten er een rustig uitloopdagje van. Al waren er toch nog enkele artiesten die bijna verleidden om langer dan onze zelfopgelegd vertrekuur te blijven.
Liefhebbers van de jaren 80 en 90 konden op zondagmorgen eens lekker de beentjes strekken bij Sam Quealy, een Australische die op haar achttiende naar Parijs kwam om een modelcarrière na te streven, maar haar meug vond in het uitgangsleven. Via via kwam ze terecht bij bekend vogue-gezelschap Comme Des Garçons. Dat werd een opstapje naar haar solo carrière.
De Australische staat in het leven met een “I don’t give a Fuck”-houding die ze leerde van haar grootste muzikale icoon, Madonna. De Australische steekt gedurende de hele show haar respect voor de “Queen of Pop” nergens onder stoelen of banken. En als Madonna koningin is, mag Sam Quealy de titel van princes zichzelf zeker toe-eigenen. Lekkere electro-pop met een knipoog, want het hoeft allemaal niet zo serieus te zijn. Enkel over haar respect voor de LGBTQ+ gemeenschap is ze zeer stellig.
Na de show wist de dame in kwestie ons te vertellen dat ze normaal enkel avondshows voor een volwassen publiek doet, maar dat ze voor Dour een uitzondering maakte.
Donny Benét bleek zowat de Australische tegenhanger van Sébastien Tellier. Hij had het culthitje Konichiwa op zak en daar zaten toch wel enkelen op te wachten, als het enthousiast onthaal van het publiek iets betekende. Het was ooit op een playlist van The Weeknd beland, en had toch enkele honderden dollar aan streaming-inkomsten opgebracht, grapte Benét.
Zijn funky discomuziek straalde een relaxte sfeer uit die aanstekelijk werkte. Hij staat bekend om zijn synthesizermuziek, maar hier was het vooral zijn basgitaar en de saxofoon die de klankkleur bepaalden. De baslijn van One Night in Paradise bijvoorbeeld leek live als twee druppels op die van TC Matic’s Oh La La La.
Op het hoofdpodium van de Last Arena vervolgde Kabaka Pyramid in dezelfde relaxte sfeer. Deze muziek had zijn leven veranderd, hij was erdoor een spirituele rastafari geworden. Met een uitgebreide en voortreffelijke live band nam hij ons mee door wat geschiedenislessen. Zo werd een grote foto van Peter Tosh geprojecteerd tijdens Mystik Man, een nummer dat ook stukjes van de gelijknamige song van Tosh bevatte.
Tijdens The Kalling werd een kleurige bewerkte foto van Haile Selassie geprojecteerd, de Ethiopische keizer die geldt als spirituele leider van de rastafari-beweging. En ook beelden van marihuanaplanten natuurlijk, de verheerlijking van dat kruid mocht ook niet ontbreken.
Afsluiten deed Kabaka Pyramid met een rondje high fiven met het publiek. We waren benieuwd of The Libertines die positieve sfeer zouden verder zetten of kapot maken, want even ging het gerucht dat Pete Doherty de handdoek in de ring zou gegooid hebben.
Dat bleek gelukkig een hoax. Inderdaad, zonder Doherty geen Libertines, maar evengoed zonder Carl Barât geen Libertines. Om één of andere reden is hun samenwerking één van een speciale soort chemie. Zij tweeën samen hebben voldoende muzikaal vernuft om met een straffe melodie op de proppen te komen en hun nummers steeds naar een hoger niveau te tillen.
Ook al ziet Pete Doherty er tegenwoordig uit als een Michelin mannetje (het gevolg van zijn heftige afkickperiode), terwijl Carl Barât er bijna uitziet alsof hij maar enkele jaren ouder is geworden op die 20 jaar tijd. Als daar maar geen ruzie over komt.
Muzikaal zat alles top, een mix tussen het oude en het nieuwe werk, uit ‘All Quiet on the Eastern Esplanade’ van eerder dit jaar. Ook al is deze laatste zeker niet hun beste album, de nummers schoven netjes in elkaar.
Daarmee zat Dour er op. Het was een rare editie: zaterdag was een muzikale topdag, maar zondag liepen we langs quasi-lege tenten. In ieder geval staat de vijfendertigste editie volgend jaar al in onze agenda genoteerd.
Bert Gysemans en Kristof Van Landschoot