Normaal gezien is er altijd wel iets dat middelmatig is, of zelfs slecht. Zeker op een festival als BRDCST is het niet altijd spek voor iedereen’s bek. Maar zaterdag hadden we een parcours uitgestippeld dat ons quasi uitsluitend langs zeer goede tot fantastische concerten leidde.
We waren te laat om de volledige set van de Braziliaanse pianist Amaro Freitas mee te pikken, maar die paar nummers die we nog hoorden waren mooie, lieflijke pianodeuntjes. De moeilijke jazz-muziek die we verwacht hadden was allicht eerder gepasseerd. Een lied werd gespeeld op vingerpiano, en de afsluiter was een slaapliedje dat zijn moeder hem had voorgezongen toen hij nog een kind was. Het werd enthousiast meegehumd door het publiek, en hij nam dankbaar de liefde in ontvangst.
Direct daarop kwamen uit Australië The Necks. Het is al veertig jaar dat ze in het vak zitten, en ze krijgen eindelijk een beetje amour van de internationale pers en het publiek. Voor ons werd het een verpletterende kennismaking. Hun hele set bestond uit een lange improvisatie op drums, cello en piano. Het begon zacht, met herhaalde eenvoudige pianoakkoorden, een strijk op de cello af en toe en bijna onhoorbaar getrommel. Maar langzaam, bijna onmerkbaar, veranderde het tempo en de sfeer, en werd het hectisch pulserend, dreigend of zelfs dansbaar. De muzikanten waren zo op elkaar ingespeeld dat het leek of ze samen één instrument vormden, dat een eigen leven leidde en wiens wil ze slechts te volgen hadden. Na een uur brachten ze de muziek terug naar het begin. Het was een intense rollercoaster-rit in uitvergrootte slow-motion, waar we direct een abonnement op willen nemen.
Doordat we wat bleven plakken aan hun merchandising-stand misten we ook nog een deel van Adriaan De Roover, in de kerk. Hij presenteerde een project, ‘Other Rooms’, dat eigenlijk samen met Fennesz had moeten gespeeld worden in een andere kerk in Laken. We hoorden nog een stuk elektronische soundscape, aangevuld met falsetto gezang. Het bisnummer, waar Adriaan zonder versterking de akoestiek van de kerk verkende, werkte betoverend. Dit was duidelijk gemaak voor deze galmende omgeving.
Terug in de zaal van de AB stond de Hongaar Attila Csihar op het podium, in een outfit die schrik had moeten aanjagen? Hij had een zwarte pij aan, als een soort duivelse monnik, die hij vast nog liggen had van zijn tijd bij Sunn O))). Hij had ook wat fluorescerende verf op zijn gezicht en handen gesmeerd. Op zijn altaar stond een knullig doodshoofdje tussen vier fake led-kaarsjes, met van die doekjes die waaien om vlammetjes na te bootsen zonder vuur te hoeven ontsteken. Het was heel erg kitscherig, en viel onelegant tussen twee stoelen: het was niet straf genoeg om indruk te maken, en niet grappig genoeg om ironisch te zijn.
Wie angstaanjagende taferelen wou was beter bediend bij het Ierse One Leg One Eye. Dit is een project van Ian Lynch, frontman van Lankum (in september nog eens in de AB), dat van Ierse folk een hedendaagse interpretatie maakt. De ingrediënten voor de cocktail waren samples van een prekende man, een Ierse doedelzak, een lang traditioneel lied, live gezongen, en een donkere grondlaag elektronica. Er werden beelden geprojecteerd van onherbergzame landschappen, een kadaver van een geitenbok, en een vieze zwarte worm. Het Ierse platteland verloor dat uur elke romantische connotatie. De toeristische dienst zal er niet blij mee zijn, maar wij boekten meteen een enkele vlucht naar Dublin.
In de grote zaal volgde daarna iets plezanters: het Japanse Goat. Niet te verwarren met het Griekse of het Zweedse Goat, zo vertelde de tekst in het boekje. Staat dat niet gewoon voor “Greatest of All Time”? In elk geval maakte dit vijftal wat men akoestische techno zou kunnen noemen. De twee gitaristen hadden hun geluid zo vervormd dat ze puur functioneerden als ritme-instrumenten, en de saxofonist had een flesje Fanta in de hoorn van zijn instrument geplaatst, waardoor het enkel wat schrale puffen kon produceren. Zelfs de kleppen van zijn instrument bleken dienst te kunnen doen als kleine drummetjes. Voeg daar nog de bongo-drummer en de conventionele drummer, die het tempo superstrak hielden en je had inderdaad een techno-set die een DJ nooit zo organisch uit zijn mengtafels zou kunnen halen.
Maar je kunt dat ook allemaal uit een digitaal tabletje halen dat niet groter is dan een zakdoek, zo illustreerde H31R in de club daarna. Dit East Coast rapduo kwam hun album ‘Headspace’ presenteren. JWords haalde de beats uit dat mini-instrument, en maassai vulde die aan met raps en af en toe een flard soulvolle zang. Spijtig dat we de teksten niet begrepen, want een toeschouwer naast ons die dat schijnbaar wel deed, schoot af en toe in een schaterlach. Er was vast een laag die ons ontging, maar we genoten toch van dat dansbaar uur muziek.
Headliner van de avond was onze favoriete positivo Alabaster DePlume, een boomlange hippie uit Londen. Hij kwam niet op het podium, hij sprong er op, enthousiast dat hij weer eens mocht spelen. Ter introductie vertelde hij hoe hij van ons hield, en dat we niet moesten geloven dat hij ook maar enig idee had van wat hij aan het doen was.
Dat was een leugen: de man is enorm getalenteerd, en had muzikanten meegebracht die boven zichzelf uitstegen onder zijn aanstekelijke aanmoedigingen. De bassiste vooral, die van bij het eerste nummer de motor bleek die de band vooruit stuwde. Buy It had een tekst die eerder bestond als een stuk spoken word poëzie, maar werd hier verwerkt tot een vijfentwintig minuten lang stuk jazz. Het was een antikapitalistisch manifest, maar gelardeerd met een stevige dosis humor, en voortreffelijke muziek.
Hij bracht daarna zijn vorige passage in de ab in herinnering, waar hij samen met Jaimie Branch had gespeeld. Wie er bij was weet hoe memorabel dat was, zeker ook omdat kort daarna Jaimie Branch overleed, op al te jonge leeftijd. Alabaster was aan een nummer aan het werken met haar, dat hij graag voor de gelegenheid wou spelen. Where’s Miss Bratt heette het, het was onafgewerkt, maar we zouden wel zien waar we er mee zouden uitkomen, zo kondigde hij aan.
Dat bleek een interpretatie van People: What’s the Difference? te zijn, een nummer uit het gelauwerde ‘GOLD’. Alweer schopte dat de mensen een geweten, op een zachte manier. De opsomming van alle soorten mensen convergeerde gaandeweg naar de minder fortuinlijken onder ons, om te eindigen bij de drenkelingen, tijdens het herhaalde “people in the sea, people in the sea, people in the sea”. Het was aangrijpelijk en mooi.
Daarna wou Alabaster een nummer aanheffen op saxofoon, maar toen iemand “From the people to the sea” riep, nam hij een gitaar ter hand die achter hem had staan wachten op een gelegenheid om gebruikt te worden. Kerstmis was altijd een moeilijke periode geweest om door te komen, zo vertelde hij. Maar de vorige Kerst was zwaarder dan ooit, met de genocide in Gaza, en als troost had hij een nummer geschreven. Het was een mooie ballad, die hij onvoorbereid bracht, en waarbij de overige muzikanten hem plaats lieten door zich te verschuilen achter hun instrumenten.
Er volgde nog I Want a Red Car, dat begon als bijna een disconummer maar al snel overging in potige jazz, en eindigde met het thema dat als een rode draad door zijn recenter werk loopt, een frase saxofoon die erg doet denken aan Mulatu Astatke. Met nog een bisnummer er bij ging Alabaster DePlume ruimschoots over de hem toegemeten tijd. Het enige spijtige was dat er effectief een einde kwam aan de set.
Dat gaf wel de gelegenheid om nog een paar nummers van Beans mee te nemen, een Amerikaan die rapper rapte dan zijn schaduw. Hij had een stevig feestje gebouwd, enkel met zijn snedige flow en wat beats uit zijn telefoon. Voor zijn laatste nummer nam hij zelfs niet meer de moeite om te rappen, hij liet het gewoon afspelen en stond er bij te grijnzen.
Kurt Overbergh speelt met het idee om Accidental Meetings volgend jaar uit te nodigen voor een curatorschap. Afgaande op hun DJ-set achteraf kunnen we dat toejuichen. Ze mixten dubplaatjes door elkaar, en laat dat nu net het dansgenre zijn waar we ons tegenwoordig graag op uitleven.
We bleven langer plakken dan goed was voor de fysieke conditie, die de laatste dag ongetwijfeld zal vergen. Maar dat waren zorgen voor later. Dit was een topdag waar nog lang van zal nagenoten worden.