Het nadeel van dag nul op een donderdagavond, voor wie het hele festival deed, is dat de eerste dag van het festival werd begonnen met een zekere fysieke vermoeidheid. “Stay hydrated” stond overal aan de bar, als prompt voor het gratis water dat werd bedeeld aan de behoeftigen. Met wat slimme planning, voldoende rustmomenten en een energieopstoot op het juiste moment slaagden we er toch in de eindmeet te halen. Zonder enige beenbraak, zelfs.
Voor het derde jaar op rij mocht Can een van zijn albums komen presenteren. Niet het echte Can, maar de Vlaamse versie, bestaande uit Ferre Marnef en zeven bevriende muzikanten (Sergeant, Oï Les Ox, L. Jacobs, en Milan W.). Ze speelden als slotstuk in dit driejarig project integraal het album ‘Future Days’, het derde album van wat algemeen beschouwd wordt als de hoogdagen van de band. Het was ook het laatste album met zang van de Japanse Damo Suzuki, die twee maanden geleden aan kanker overleed. Wat een passende timing.
Het is moeilijk zich in te beelden dat de oorspronkelijke band beter was dan deze acht. Van bij het kalme begin tot het extatische einde werd er geïmproviseerd, met de originele partituur als losse leidraad. Er waren solo’s op clarinetten en lange stukken drums die ons in hogere sferen brachten. Zeker nadat met het “hitje” Moonshake de heupen waren los geschud, ging iedereen vlot mee in de lange lap improvisatie van het laatste nummer Bel Air.
Waar kunnen we de petitie signeren om dit project permanent te maken? Meer zelfs, er mogen gerust meer van dit soort projecten komen, die historisch belangrijke platen in een hedendaagse context plaatsen en herinterpreteren. In de klassieke muziek gebeurt het al eeuwen, waarom niet in de popmuziek?
We wilden meer, maar Ferre Marnef joeg ons de zaal uit. Ga maar naar Mica Levi kijken, die begint direct. Deze Engelse was een van de eerste artiesten die vrijdag mee kwam naar Brussel onder de vleugels van het curatorschap van Tirzah. Ze maakt muziek in alle genres, en is het meest geprezen voor de soundtrack die ze maakte voor Under the Skin, een film van Jonathan Glazer (momenteel in de zalen: Zone of Interest, ook met deels muziek van haar). Maar optreden doet ze slechts zelden.
In de grote zaal stond ze moederziel alleen met haar gitaar op het podium. Ze kwam over als schuchter, en had wat problemen met feedback in het begin van het optreden, wat zeker niet hielp. Vanuit haar introverte universum toverde ze toch de ene na de andere ruwe, aangrijpende ballade uit haar gitaar. Ze deed denken aan een jonge PJ Harvey, zonder de woede maar met meer introspectie. Eén nummer bestond vrijwel uitsluitend uit de zin “it’s true that I think of you”, dat zo dikwijls werd herhaald dat het bijna dreigend overkwam. In een ander nummer demonstreerde ze een dadaïstische gitaartechniek, en werd de tekst bijna spoken word. Het ging over je ouders teleurstellen.
Geen optreden om vrolijk van te worden, maar het was wel wondermooi. Na het laatste nummer verliet ze heel droog het podium, zonder de minste begroeting. Wij repten ons naar het optreden van Amor Muere, een Mexicaanse celliste, in de Rijke Klarenkerk iets verderop. Deze was al goed volgelopen voor dit eerste optreden. Het gaf iets extra natuurlijk, profane muziek onder de preekstoel, een neon-blauw BRDCST-logo voor het altaar. Enig nadeel: vanop de stoelbanken was het moeilijk om iets te zien. Een klein verhoog als podium was geen luxe geweest.
Haar optreden begon mooi, met een stuk klassieke zang, en elektronische soundscapes eronder. Op een moment viel de cello dan in en vervolledigde het geluid. In het tweede nummer herkende we ook de referentie naar Arthur Russel, met diens staccato speelstijl. Wat later voelde een lang stuk door noise vervormde muziek iets te veel aan als kunstzinnig geneuzel, en we verloren onze openheid van geest. Bij de laatste noot van dat nummer stonden we samen met een stel andere mensen op en verlieten de kerk. We waren blijkbaar niet alleen met dat gevoel.
Of was het dat iedereen Coby Sey wou meemaken? In de processie van de kerk naar de AB waren er in ieder geval enkelen die zich haastten om Tirzah’s beatmaker aan het werk te zien. Hij had een band mee en speelde zelf basgitaar en elektronica. Zijn stem had wat weg van King Krule, en ook de muziekstijl deed daaraan denken. Met heel veel energieke electronica, forse rhymes en een imposant voorkomen, maakte hij flink wat indruk. In de achtergrond hadden ze een set gongs opgehangen, en dat zorgde voor een exotische yoga-sfeer in het begin van Seed (Our Cells Meet), dat langzaam dreigender werd en heel intens klonk.
Terug naar de kerk dan, want daar stond dé belevenis geprogrammeerd die ons op papier het interessantst leek. Ellen Arkbro ging haar stuk ‘CHORDS for organ’ uit 2019 integraal spelen op het gerenoveerde kerkorgel. Dat zorgde voor enige verwarring, want het publiek zat met het gezicht naar het altaar, terwijl de actie zich natuurlijk achteraan, hoog in de kerk zou afspelen. Niet dat er veel te zien was, en tegen het einde van het optreden lag dan ook een groot deel van het publiek op de grond of op een bankstoel met de ogen dicht te genieten in plaats van naar dat grote orgel te staren.
Klanken die uit een orgel komen lijken langer te duren, en uit ondertonen te bestaan die je bij de aanhef niet direct kunt horen. Dat effect leek Arkbro maximaal te willen uitspelen in haar muziek, die eigenlijk niet veel meer was dan enkele noten, lang aangehouden en heel traag en weinig gevarieerd. Tegen het midden van de set kwam er plots een dissonante toon stoorzender spelen, iets waarvan men niet direct kon raden hoe dat uit dat orgel was geknepen. Maar dat was slechts een moment, dat nog paar keer mocht terugkeren, maar ook niet meer dan dat. Het bleef uitermate sober en bijna eentonig.
Dit had ons vast in hogere sferen kunnen brengen, maar het was pas in de laatste tien minuten van set dat we onze FOMO konden loslaten. Er was vast ook iets boeiends in de andere zalen van de AB aan de hand geweest, maar dat hadden we dan maar gemist. Bizar genoeg was dit dus een saai optreden dat langer had moeten duren om echt goed te zijn.
Tijd voor Tirzah dan, de hoofdact van de avond, en de persoon rond wie deze hele eerste dag was opgebouwd. We pikten nog een stukje van de set van Loraine James mee, die alleen op het podium fijne hyperdub-muziekjes in elkaar mixte. Dit hadden we dus gemist, en het leek of het ook wel de moeite was geweest.
Tirzah had iets goed te maken, want haar vorige set op BRDCST was maar zo zo, daar zijn de meesten het over eens. En toch had ze een curatorschap en headline-positie verdiend, op basis van optredens elders en een uitstekend album, zo vertelde curator Kurt Overbergh.
De podiumopstelling beloofde alvast niet veel goeds: twee grote canapé’s nodigden uit tot luiheid. Coby Sey zat in één, Tirzah in de andere. Voor Coby Sey, op de salontafel, stonden zijn machines opgesteld, zodat hij zich niet moe moest maken als hij op een of ander knopje moest duwen om de bandjes met de nummers op te starten. Tirzah zelf moest dan nog enkel mee zingen, want ook een deel van de stemmen was vooraf opgenomen.
Misschien zijn er artiesten die vlot wegkomen met zo een halve playback-show. Maar zij miste daar de podiumpresence voor, en het werd al snel een saai gedoe. Niets was er te zien, en slechts weinig te horen. Ja, haar laatste album is goed, maar van een live show verwachtten we iets meer dan deze slome uitvoeringen. Het leek bijna of ze eigenlijk liever gewoon in de zetel was blijven zitten en een luistersessie had georganiseerd. Had dat dan ook gedaan, misschien?
We sloten af met Lionstorm, en dat kon niet meer contrasteren. Dit Amsterdams, lesbisch antwoord op Die Antwoord gaf, in de letterlijke zin, het beste van zichzelf. In het begin van het optreden was dat het quasi naakte, welgevormde achterwerk van Skerrie Sterrie, waarop in sierlijke letters “Doomed” was getatoeëerd. Ze schudde het minutenlang in het gezicht van de mensen op de voorste rij. Een toeschouwer kreeg prompt ruzie met zijn jaloerse lief en werd door haar naar het achterste van de zaal gestuurd. Hopelijk kwam dat achteraf nog goed.
Gedurende een intens uurtje kregen we een spervuur van activistische raps en snoeiharde beats. In de achtergrond illustreerde een film hoe de twee zich met elkaar’s lijf amuseren in de slaapkamer, zodat het zeker voor iedereen duidelijk was dat het hier om expliciete scissor sisters ging.
Het klonk allemaal heel plat en oversext, maar ook heel aanstekelijk, en tegen dat het laatste nummer WTJMDZ aanbrak (wat stond voor “wacht tot je me dick ziet”) was de hele zaal aan het dansen. Een man ging zo enthousiast uit de bol, dat we enerzijds vreesden voor een hartaanval, en anderzijds voor grensoverschrijdend gedrag. Maar dat was vast overbodig, deze vrouwen konden duidelijk heel goed dan hun mannetje staan.
Er volgde nog een DJ-set van Anja Ngozi, maar daar kwam slechts weinig volk op af. Het begon traag, en tegen dat er wat tempo in de hyperdub leek te komen waren we te moe om nog te dansen. Tirzah zelf stond in een hoekje met een vriendin te babbelen. We hadden haar proficiat kunnen wensen met haar eerste curatorschap, maar eigenlijk, behalve Mica Levi, hadden we onder haar vrienden weinig artiesten ontwaard die ons het volgen waard leken.
In onze late, moedige dagdromen vertelden we haar enthousiast over de fantastische herinterpretaties van muziek van Can, de expliciete lesbo-punk uit Nederland, en het experiment op het kerkorgel, dat ze vast had gemist, terwijl ze keuvelde met haar vrienden in die canapé’s van haar.