Ik zit in Onnaing, een klein dorpje aan de Franse grens. Troosteloosheid troef, een kerktoren aan de afrit van de snelweg, waar de enige supermarkt al jaren is gesloten, en in de enige minimarkt alleen ersatz-nuttella te krijgen is. Er zijn twee bakkers die er allebei even grauw uitzien, de enige café heeft de rolgordijnen permanent laten zakken. Eén straat, met één buslijn, om mensen weg te voeren, naar Valenciennes, naar ergens, naar een belofte.

In mijn automaat-hotel is er een bed en wat breakfast, maar geen mens om te bedienen of te begroeten. De balie is vervangen door een machine, inchecken doe je door wat code’s in te geven. De toeristentaks betaalt u met de kaart, en dan gaat automatisch de deur open. De computer wenst je een aangenaam verblijf, maar zelfs dat is impliciet want onuitgesproken. In de lobby, of wat er voor moet doorgaan, staat een koffiemachine, maar die zegt “buiten bedrijf” als je op het touch screen duwt. De tafels zijn leeg. Uit een andere automaat kun je een zakje chips trekken.

Wat een mistroostige wereld wordt dit toch.

Dit is niet de eerste keer dat ik in zo’n hotel beland. In Antwerpen was het onlangs ook nog van dat. Misschien is het omdat ik hotels boek in het segment dat enkel nog winstgevend kan zijn als er geen personeel wordt in dienst genomen. Dat is allicht goed nieuws voor migranten, zij zullen niet meer the bottom of the food chain zijn eens computers die taak overgenomen hebben.

Op Dour festival lopen veel tiktokkers rond. We merken op, bij daMusic, dat we tot een uitstervend ras behoren van mensen “in de media” die het nog over de muziek hebben. Die kleine teams van twee of drie mensen, gewapend met een te dure camera en enkele microfoons, proberen je aan te spreken, vooral als je een raar hoedje aanhebt, een beetje aangeschoten bent, verkleed bent als een scheidsrechter van de FIFA, of mee wilt doen aan een onnozel spelletje ten voordele van een merk, coca cola of fuse tea. En jongeren gaan daar bereidwillig in mee, in de hoop tien seconden likes te krijgen op sociale media.

Wat een mistroostige wereld wordt dit toch.

Straks word ik zo oud als mijn buurvrouw, en zit ik op mijn eenennegentigste opgesloten in mijn appartement. Als enige trots rest haar dat ze proper is, en dat haar huis proper is, en dat ze van niemand hulp behoeft. Maar als het haar te veel is zit ze te huilen op haar balkon, of loopt ze met haar looprek door de hal van het appartement, in de hoop met iemand in gesprek te belanden. Als de sociale werkster weer eens niet komt, met een of ander excuus, belt ze het sociaal secretariaat niet meer op, want daar krijgt ze toch geen mens meer aan de lijn. Haar dochter woont in Ukkel, maar komt quasi nooit langs. Zelfs niet in de ergste hittegolf. Zelfs een telefoontje kon er blijkbaar niet af.

Er is nog de muziek, en er zijn nog de jongeren. Ze zijn er nog, en ik vind ze nog.

Ik kan nog met mijn fiets naar Dour festival komen, en in Onnaing vind ik ondanks alles toch nog een restaurant met een mooi terras, naast de kerktoren, met vriendelijke obers, deftig eten en democratische prijzen.

Is dit het recept om waardig ouder te worden? Ondanks alles blijven pushen om schoonheid en menselijkheid te vinden? Zelfs al doen de knieën zeer, zelfs al slaat de vermoeidheid steeds harder toe, en steeds vroeger op de avond. Zelfs al wordt de nachtrust verstoord door krampen van het weinige dansen en het lange rechtstaan.

Het is soms moeilijk om door alle mistroostigheid het mooie te zien.

Naar Dour komen helpt. Denk ik toch.