Ooit kende ik iemand die les gaf. Ze was Engelse en probeerde te aarden in Antwerpen, wat maar moeizaam lukte. Op een gegeven moment gaf ze het op en ging terug naar haar thuisland. Daar zou ze cipier worden in een gevangenis.
Toen ik haar vroeg of dat niet een beetje een heel radicale carrièrewending was verraste haar antwoord me: eigenlijk niet. Je moet in beide gevallen mensen houden in een plaats waar ze niet willen zitten.
Ik was toen nogal gechoqueerd van haar antwoord. Maar na een goede vier maanden les geven aan adolescenten begin ik het te begrijpen.
Mijn taak in de les Nederlands heb ik meer ervaren als “leren kinderen onder controle houden” dan als “kinderen een basis Nederlands aanleren”. En om kinderen onder controle te houden, in aantallen van twintig met de keer, daar heb ik het talent niet voor. In elke klas zitten er wel enkele leerlingen die de boel verzieken, en die ik niet de baas kan. En dus wordt les geven de facto bijna onmogelijk.
Alleen als het echt ludiek is krijg ik de kinderen nog enthousiast. Europapa meezingen, vooral dat “papapapapa” gedeelte, dat vinden ze tof. Eens speelden we een spel waarbij ze hebben of zijn moesten vervoegen, dat vonden ze ook leuk, maar dat liep ook snel uit de hand. Maar hebben en zijn vervoegen is minimum kennis na het vijfde leerjaar in het Franstalig onderwijs, en ik moet via mijn testen vaststellen dat een groot deel dat niet kan, alle moeite ten spijt.
Deze week is er een laatste toets. Ik ga nog eens hebben en zijn ondervragen. Daarna ondervraag ik mezelf: probeer ik nog door te doen tot aan de grote vakantie, of dien ik direct mijn ontslag in?