Een maat van ons was eens dronken op zijn terugweg naar huis. Het was al dag aan het worden en ergens onderweg naar huis werd zijn weg versperd door een wegblokkade in opbouw. Er stond een marathon te gebeuren.
Hij mocht niet door, veiligheid boven alles, en moest een heel eind rondwandelen. Hij insisteerde even, maar kreeg toch geen permissie. Daarna haalde hij zijn laatste troef boven en vroeg: “Is it because I’m Jewish?”
Ik vind dat immens grappig. Hij is helemaal geen Jood, maar was in zijn zatte toestand toch nog gevat genoeg om een vooroordeel dat leeft bij de mensen in zijn voordeel te proberen gebruiken. Ook al werkte het niet.
Wij worden ondertussen ook geconfronteerd met ons vooroordelen. Het kleintje heeft een uitnodiging voor een sleep-over, en wij hebben er geen goed gevoel bij. Nochtans is de dochter uit hun familie al komen slapen hier, en het is een schat van een kind.
Maar als ik diep binnen mezelf graaf dan denk ik: dit is een brute werkmens-familie, welke marginale toestanden gaat ze daar meemaken. En dan is er de angst daarvoor, om het kleintje een nacht over te leveren aan mensen die niet zijn zoals ons. Ik weet dat het niet rationeel is, maar ik kan en mag niet ontkennen dat het er is.
We gaan niet toegeven aan die vooroordelen.