Ik heb te weinig geduld om op te voeden. Deze ochtend wou het kleintje logopedieoefeningen doen op de fiets. Dan moet ze woordjes uitspreken die beginnen met “br” zodat ze de tongpunt-r van haar lippen naar haar tong kan verplaatsen.
Na bril, brood, bruin, braaf, bravo en brief, die goed gingen, kwam ik op het woord brommer, dat ze even vlot herhaalde als de woorden daarvoor. Maar dan werd ze kwaad en ze ze: “brommer, daar zitten twee r’en in, dat kan ik niet”, en toen was gedaan met de oefeningen. Want een r op het einde van het woord, dat kan ze nog niet, en dat wil ze dus ook niet oefenen. Nochtans had ze ook de tweede r in brommer bijna goed uitgesproken. Dat gebeurt dikwijls, dat ze de mentaliteit heeft “ik kan dat niet”, en dat voor haar daarmee de kous af is.
Schaatsen en rekenen zijn andere voorbeelden waar ik tegen die weigerende muur stootte. Dan voel ik inwendig frustratie opwellen waardoor ik me kwaad maak en al mijn geduld in een oogwenk verlies. Ik kan er weinig aan doen.
Langs een kant bewonder ik mensen die engelengeduld hebben met hun kinderen. Die een verwend nest hebben dat honderd keren tegen de schenen mag schoppen en ze gaan geduldig gaan uitleggen waarom papa dat niet leuk vindt dat Joske tegen de schenen van papa schopt, want de papa gaat dan blauwe plekken hebben en mank lopen. Waarna Joske een honderdeneenste keer tegen de schenen van papa schopt.
Bij mij is het, als ik me niet zou beheersen, na een schop tegen mijn schenen: schop terug, en voilà, je les geleerd. De les was: kies geen strijd die je niet kunt winnen.
Ik ben er niet trots op en ik wil er aan werken. Maar op zulke momenten komt er een innerlijke woede in me op die ik amper onder controle heb.
Leermomenten gaan nog moeilijk worden denk ik. Voor mij en voor haar.
